Maandelijks archief: november 2013

Restauratie grafmonument Brunings en Conrad

Op 18 november 2013 is de restauratie van het marmeren gedenkteken bij het graf van Brunings en Conrad van start gegaan.

Restauratie graf Brunings en Conrad
De restauratie wordt mede mogelijk gemaakt door giften van Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Prins Bernard Cultuurfonds.

Christiaan Brunings was de grondlegger van Rijkswaterstaat. Toen hij in 1805 overleed werd hij opgevolgd door zijn vriend en toeverlaat Frederik Willem Conrad. Conrad overleefde zijn leermeester slechts drie jaar en overleed nog geen veertig jaar oud in 1808. Hij werd begraven in het graf van Brunings.

Het graf van Brunings en Conrad in de Grote of St.-Bavokerk te Haarlem

De Grote Kerk in Haarlem telt vele graven, de hele vloer bestaat nog uit de originele grafzerken. Menig bekende Nederlander ligt er begraven met als bekendste de schilder Frans Hals. Toch hebben zij allen slechts een platte zerk, meer of minder gegraveerd met tekst en symboliek. Er één praalgraf in de kerk aanwezig, bijna in het centrum van de kerk. Het graf is streng in zijn eenvoud, maar getuigt toch van een onmiskenbare voornaamheid. Omgeven door een hoog gesmeed hekwerk staat een forse marmeren tombe met aan de voorzijde een fronton met daarin gebeeldhouwd een onmiskenbaar sluizencomplex. Bij nalezing van de moeilijk te ontcijferen tekst blijken hier twee mannen begraven te zijn, de heren Brunings en Conrad.

Brunings en Conrad, nog nooit over gelezen in de geschiedenisboeken. Dankzij hun vermelde geboorte en overlijdensdata is met gebruikmaking van Wikipedia deze lacune snel in te vullen. Eerst Christiaan Brunings, in 1736 geboren te Neckerau in Duitsland. Nota bene als werknemer in een azijnmakerij komt hij in Nederland aan het werk en maakt dan kennis met Jan Noppen, opzichter van het Hoogheemraadschap Rijnland. En door deze toevallige ontmoeting wordt de basis gelegd voor wat wij kennen als Rijkswaterstaat.

Christiaan blijkt onder de hoede van Noppen een zeer goede leerling te zijn met technische en wiskundige aanleg. De twee kunnen goed opschieten met elkaar en Chistiaan wordt een nauwe medewerker van Noppen. Bij diens dood in 1765 wordt hij zijn opvolger bij Rijnland met de verantwoordelijkheid voor de Spaarndammerdijk, op dat moment de zwakste en meest cruciale schakel in de verdediging van het Hoogheemraadschap Rijnland tegen het zeewater. Vooral bij Halfweg was de zoete Haarlemmermeer het zoute IJ dicht genaderd en een doorbraak vormde hier een groot risico. En passant vond hij ook nog stroomsnelheidsmeter uit, de tachograaf, een instrument dat voor de beheersingsberekeningen van rivierwater van groot belang bleek.

De kwaliteiten van Brunings als creatief waterbouwkundig denker en als bemiddelaar werden snel door zijn superieuren onderkend, en in 1769 werd hij al benoemd tot Inspecteur Generaal van ’s Lands Rivieren, een bijzondere post omdat hij hiermee invloed kreeg in de waterhuishouding in heel Nederland en intermediair was bij de diverse Hoogheemraadschappen en gewesten. In die tijd vormden naast de zorg voor de kustverdediging tegen het zoute water vooral de ongecontroleerde watertoevoer en de zwakke dijken van de grote rivieren een probleem, een probleem dat herhaaldelijk voor grote overstromingen zorgde in de bovenlopen van die rivieren in Nederland.

In zijn functie als Inspecteur Generaal kwamen naast zijn waterbouwkundige kwaliteiten zijn onderhandeling bekwaamheid goed van pas, tussen deze regionale waterschappen en de gewesten bestonden tegenstrijdige belangen en dit was nog sterker bij internationale contacten met bijvoorbeeld Duitsland. Toch slaagde hij er in om in 1771, nadat daar al 20 jaar over onderhandeld was, een verdrag te sluiten over de Rijnwaterverdeling, een verdrag tussen de Pruisische koning en de gewesten Gelderland en Holland, het eerste internationale waterverdrag. Daarbij werd de verdeling van het Rijnwater over de rivieren de Waal, de Nederrijn en de IJssel geregeld.

Hij gaf zowel leiding aan de nodige waterbouwkundige werken om deze verdeling tot stand te brengen als aan een betere afstemming van de sterkte en hoogte van de diverse dijken. Voor Rijnland hield hij zich bezig met de al lang voortslepende kwestie van een waterafvoer in zee van de Oude Rijn. Deze was al eeuwen dicht geslibd en eerdere technische pogingen waren gefaald. Echter vooral ook de voortdurende tweespalt tussen de grote steden van Rijnland, Haarlem en Leiden, had een obstakel gevormd en pas met de vorming van de Bataafsche was de tijd rijp voor de aanpak van dit probleem. Brunings gaf de aanzet tot het ontwerp en de uitvoering van het Katwijkse afwateringskanaal en de daarbij behorende sluizen, een werk dat tenslotte zou worden afgerond door zijn pupil Conrad, waarover hierna meer. Reden waarom dit bijzondere waterbouwkundige hoogstandje prominent op hun beider graf in de Bavo staat afgebeeld.

Net als hij ooit de Rijnlandse opzichter Noppen als leermeester had gehad, kreeg hij een pupil in de persoon van de in 1770 geboren Frederik Willem Conrad. Deze kwam zelfs met zijn gezin in 1797 bij Brunings inwonen in het door hem bewoonde Gemeenlandshuis van Rijnland in Spaarndam. Deze Frederik Willem maakte een snelle carrière bij Waterstaat, waar hij na Brunings tenslotte Inspecteur Generaal werd.

In 1798 werd Brunings, nadat hij aangetoond had hoe belangrijk een centrale aansturing van de Nederlandse waterhuishouding was, benoemd tot hoofd van het Bureau voor Waterstaat, de voorloper van Rijkswaterstaat. In 1800, in de Bataafsche Republiek werd hij Inspecteur Generaal van de Waterstaat der Bataafsche Republiek om tenslotte in 1803 Directeur van ‘sLands Rivier en Zeewerken te worden.

Brunings overleed in 1805 in Den Haag twee jaar voordat de uitwateringssluis werd opgeleverd. Hij werd tenslotte in de Grote Kerk begraven, waar hij drie jaar later verenigd zou worden met zijn pupil, de Inspecteur Generaal voor de Waterstaat Willem Frederik Conrad, die in 1808 totaal onverwacht overleed. Uit respect voor hun buitengewone verdiensten voor de beheersing van de Nederlandse waterhuishouding werd een grafmonument opgericht, waaraan Rijkswaterstaat en Rijnland bijdroegen.

Hun beider naam leefde ook op een andere wijze voort. Die van Bruning in de beroemde stoomijsbreker en directievaartuig van Rijkswaterstaat de ss Christiaan Brunings, sinds 1968 opgenomen in de collectie van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Op internet zijn juist van dit schip nog honderden foto’s te vinden. Conrad’s zoon werd spoorwegpionier, maar ook waterbouwkundige. Na 16 jaar voor de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij spoorbruggen te hebben ontworpen, kwam hij in 1858 weer in dienst bij hoe kan het ook anders Rijkswaterstaat en was al in 1849 één van de oprichters van het KIVI (Koninklijk Instituut Van Ingenieurs). De familie Conrad zou in de Nederlandse metaalnijverheid een belangrijke rol gaan spelen.

Terug naar het graf van de beide waterbouwkundigen. Juist water vormt momenteel een grote bedreiging voor het graf. Water in combinatie met zout. In de kolom, waar het graf tegen aangebouwd is, vindt voortdurend een vochttransport plaats vanuit de fundering naar de oppervlakte van de kolom. Met dat transport wordt zout meegenomen, dat tenslotte uitbloeit in kristallen in het zandsteen van de kolom, maar ook in het marmer van het graf. Omdat marmer een open kristalstructuur heeft, ontstaat in dit materiaal snel schade door de zout uitbloei, het marmer lost op. Dat heeft tot zichtbaar gevolg nu, dat op vele plaatsten stukken afschilveren, marmer bruin verkleurd en de teksten en afbeeldingen langzaam onleesbaar worden en hele platen vergaan. Op lange termijn zou dit verval betekenen dat de marmerplaten vervallen tot gruis en alleen de gemetselde onderliggende tombe overblijft.

Om het niet zo ver te laten komen is in overleg met deskundigen een plan opgesteld om de marmeren beplating van het graf te redden. Dat zal gebeuren door het graf af te sluiten van de vochttoevoer uit de kolom, waarbij tevens voor ventilatie van het metselwerk van het graf wordt gezorgd, zodat dit aan de lucht kan drogen. Daarmee wordt het vocht en zouttransport gestopt. Vervolgens zullen de marmeren platen worden geconserveerd en hersteld en zullen de teksten en afbeeldingen weer worden opgewerkt.

Deze restauratie zal minimaal € 45.000 gaan kosten. De Vrienden van de Grote Kerk hebben zich bereid verklaard € 15.000 aan deze operatie bij te dragen. Deze vereniging met bijna 1600 leden ondersteunt al decennia bijzondere restauratiewerken in de Grote Kerk. De vereniging heeft haar eigen website en werkt samen met de kerkrentmeesters bij de instandhouding van de Grote of St.-Bavokerk, een van de Nederlandse topmonumenten.

Blijft dus nog te financieren een bedrag van € 30.000. Monumentenzorg geeft tegenwoordig alleen nog subsidie (en steeds minder) voor het uitwendige onderhoud van deze monumentale kerk. Mede daarom zijn we sterker aangewezen op subsidiebronnen van derden. Reden om voor deze hoogst noodzakelijke restauratie van het graf van deze fameuze waterbouwkundigen in eerste instantie een beroep te doen op de oorspronkelijke stichters en beneficianten van het graf, Rijkswaterstaat en Rijnland.

Print dit artikel Print dit artikel