Archeologische vondsten in februari 2016

Archeologisch onderzoek

Door Anja van Zalinge – Stadsarcheoloog.
Maart 2016.

Anja van ZalingeDe puzzeltocht naar de contouren van de voorgangers van de Grote- of St. Bavokerk is in de eerste week van februari verder gegaan. Het onderzoek werd voor de derde keer uitgevoerd, en ook nu weer in vijf dagen. Elke keer een paar dagen, dat doen we vooral om het huidige gebruik van de kerk zo min mogelijk te verstoren.  Maar ook omdat het onderzoek net als een puzzel is, waarbij we steeds een stukje vinden, het grondig onderzoeken en erover nadenken om daarna weer een puzzelstukje te zoeken en  te leggen.

Afgelopen twee jaar vonden we de muren van een tufstenen en bakstenen kerk, voorloper(s) van de huidige kerk. Daarvan zijn de muren aan de zuidkant (2014) en de oostkant en deels de westkant (2015) gevonden. Dit jaar (2016) is de noordmuur onderzocht en hebben we gekeken of er nog een oude ingang van de toenmalige kerk  aanwezig is. Ook is geprobeerd om de oude restanten die we afgelopen zomer in een kelder onder de zeventiende eeuwse predikantenkamer onderzochten, op te zoeken buiten de kelder, in de kerk zelf.

De noordmuur hebben we goed kunnen blootleggen en bestuderen. Op de plek waar een ingang zou moeten zitten op basis van de afmetingen van kerken uit die tijd, was de muur inderdaad onderbroken. De groffe en rafelige toestand van de muur en het ontbreken van een mooie gladde afwerking, die je bij een ingang eigenlijk zou verwachten, doet ons nog wel een beetje twijfelen. Wat betekent dit? Het puzzelstukje is nog niet helemaal gelegd.

Aanzicht muren bij predikantenkamer
Aanzicht muren bij predikantenkamer

Datzelfde geldt voor de muur bij de predikantenkamer. De dertiende eeuwse kloostermoppen konden van deze kant helaas niet worden bekeken omdat we al snel last kregen van opwellend grondwater en omdat er restanten van een begraving op die plek lagen. Om hier goed te kunnen onderzoeken moet je eigenlijk grootser uitpakken en een groter oppervlakte openleggen, liefst met pompen.

 

 

De ingang in de muur
De ingang in de muur

Het onderzoek levert vooral muurwerk op en nauwelijks voorwerpen. Dat komt omdat de meeste grond, tot zo’n dikke twee meter onder de zerken, behoorlijk verstoord en verrommeld is door allerlei  graafwerkzaamheden in voorgaande eeuwen. En daarna zijn bijna alle begravingen verdwenen, daarvan vinden we alleen nog wat los botmateriaal.

Voor het eerst hadden we de tijd om de losse grond die onder de zerken werd uitgegraven op een zeef te verwerken. Op de zeef blijven alle aanwezige vondsten liggen. Vooral de allerkleinste, die je met de schep niet kunt zien, worden daardoor toch gevonden. Ook de vondsten die te klein zijn om met de metaaldetector  op te sporen blijven op de zeef achter.

Zeven van het opgespitte zand
Zeven van het opgespitte zand

Hierdoor zijn er dit jaar meer voorwerpen gevonden dan tijdens voorgaande onderzoeken, ook uit de diepste, oudste lagen. Er zijn veel kleine stukjes aardewerk, zeer nuttig voor het dateren van de bodem en de muurwerken. Maar ook veel oude knikkers, fragmenten van sieraden, spelden van de lijkwades, knoopjes en haakjes van kleding en munten kwamen tevoorschijn.

Enkele bijzondere vondsten zijn onder meer een stukje textiel met gouddraad, een muntgewichtje van de Antwerpse gouden munt de Nobel en een zeldzaam dertiende-eeuws muntje. De oudste vondst is een vuurstenen pijlpuntje uit de Steentijd. Die moet uit het strandwalzand, waar de kerk op is gebouwd, zijn gekomen. In de tijd ver voor Haarlemmers hier ter kerke gingen liepen er al jagers/verzamelaars op de plek die we nu Grote Markt noemen.

Drie voorbeelden van vondsten die gedaan zijn:

Vuurstenen pijlpunt

In de prehistorie bestond het gebied dat nu Haarlem heet uit hoge en droge strandwallen waarop uitgestrekte bossen groeiden. Tussen de strandwallen lagen grote veenmoerassen. De eerste mensen kwamen in de late steentijd (3600 – 2000 v. Chr.)uit het de omgeving van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug naar de kust. Zij waren jagers en verzamelaars. Ze woonden in hutjes en trokken van plek naar plek. Die hutjes bouwden ze op de hoge strandwallen, daar konden ze  droog wonen en uitstekend  jagen en vissen. In Haarlem vinden we vooral bewijzen van hun aanwezigheid door de (vuur)stenen gebruiksvoorwerpen die we  aantreffen in het strandwalzand.  De in Haarlem gevonden vuurstenen pijlpuntjes zijn op een hand te tellen.  Daarom is de vondst van dit pijlpuntje zeker bijzonder te noemen.

Gouddraad/brokaat

Textiel vinden we nauwelijks bij begravingen tot nu toe. Dat komt omdat mensen lange tijd alleen in lijkwades werden gegraven en diezijn in het zand van de bodem vergaan. Maar ook daarna, als men in de eigen kleding wordt begraven, vinden we weinig daarvan terug. In de Bavo zijn de meeste begravingen verdwenen, dus de kans op restanten van kleding is nihil. Toch hebben we twee fragmenten textiel  gevonden. Een daarvan is een stukje brokaat. Brokaat is een zijdeweefsel met ingeweven figuren, meestal met goud-of zilverdraad. Het gouddraad is bij dit fragment nog goed zichtbaar. Het is zeker van een ‘rijke stinkerd’ geweest, want dit is een duur soort textiel.

Muntgewichtje

Laat 16e eeuw

Lange tijd waren er bij de handel in Haarlem vele, verschillende valuta in omloop. Hierdoor was de geldwisselaar een bekend verschijnsel in het stadsbeeld. Bij hem kon men allerlei soorten valuta wisselen. De geldwisselaar gebruikte muntgewichtjes om te bepalen van welke valuta een munt was en het waard was.

Het gewichtje dat in de Bavo is gevonden is van een Antwerpse munteenheid, de nobel. Dat is een gouden munt met daarop een schip afgebeeld. Op het gewichtje staat aan de ene kant het schip en aan de andere kant het Antwerpse handje. Het gewichtje is net als de munt 6,7 gram.

Print dit artikel Print dit artikel