Gedichten van de Stadsdichter

In december 2012 werd Nuel Gieles aangesteld als stadsdichter van Haarlem. Hieronder een aantal gedichten die door de stadsdichter in de Grote of St.-Bavokerk zijn voorgedragen.

HalstublieftNuel Gieles 224x300

’s Anderendaags en toentertijd, al lang geleden
had de wereld oude kleuren, door zwart omgeven
Nee, niet één zwart, maar vele, waarlangs
gegronde tinten hun karakters weefden

schutterstrakke schilderijen met sjerpen en banieren
rijke roemers, regentesk maar soms ook o zo vrolijk
drinkers, denkers, disgenoten, kloveniers en muzikanten
de zeventiende eeuw Hals-wijd geëtaleerd in olieverf

Frans Hals, meester van donker en daardoor ook van licht
van wie Jan Wolkers, Vincent van Gogh indachtig zei:
,,Hem worden wel tweeënveertig zwartnuances toegedicht.
Het is níét wáár. Het zijn er drieënveertig’’, staand voor

het doek met de oudemannenhuisregenten om er bij
de regentessenmouwen, even verderop, aan toe te voegen
,Zie je dat wit daar. Ook dat is zwart, wat later, in de lente.’’
Hoe star is Hals? Hij zag notabelen en mensen uit de kroegen

jongenswangen, drankgelagen, feestbuffetten
en nu is er een jubileum, niet om de meester zelf
maar vanwege het naar hem vernoemd museum
en alle schilderbroeders die aan hem schatplichtig zijn

juist om z’n eigenzinnigste en vrije verfstreken
de wijn spat uit het glas, een strenge hand komt van het doek
De Vlaming Hals blijft Haarlems als het Spaarne
Okhuysen heeft La Grande Réserve du Frans Hals

en de Jopenbrouwerij haar Kuitbier
In Haarlem leeft de Gouden Eeuw nog jaren voort
zolang Hals’ schilderkunst het volk bekoort
pak lachend dus uw luit en maak plezier.

 

Citroen op een bordje van Majolica

(‘Nihil est in rebus inane’)

De Gouden Eeuw geeft het onomstotelijk bewijs
als zilverlicht wordt opgezet in donkerstreken
spreekt schilderkunst de taal van donderpreken:
er is geen erger doem dan het aardse paradijs

Nog maar een schedel met een vlieg erop
van Helmbreker of van Van der Vinne
gedoodverfd calvinistisch leven op het linnen
langs het damast hangt een geknakte pauwenkop

Ge moogt niet leven zonder zelfverwijt
toon diep berouw om elk plezier en koester
niet de geneugten van de venusschelp of oester
gedenk veeleer de vleselijke sterfelijkheid

Een dauwdruppel op afgesneden bloem in vaas
druiventrossen, zandlopers en korenaren
zijn in gevecht om ons te wijzen op gevaren
op ieder doek van schilder Pieter Claesz

Ik blader hoopvol in zijn duivels prentenboek
het doodshoofdvlindert me in m’n gedachten
de halfvolle roemer die mij wachtte
ligt omgevallen als een leeg glas in de hoek

De pit dooft in de laatst gesmolten was
de ijsvogel mag schriel en breekbaar zingen
‘er is niets leegs of ijdels in de dingen’
’t is ook vandaag nog enkel Vanitas.

Nuel Gieles,
20 januari 2005.