Bavodag 3 oktober: met de voorstelling Escher & Bach. Meer informatie

/“Scheepsmodellen in Nederlandse Kerken” 

Zo luidt de titel van een boek, geschreven door Dr J.M.G. van der Poel, in 1987 uitgegeven door de vereniging: Vrienden van het Zuiderzeemuseum, te Enkhuizen.

Dit artikel is uitsluitend bedoeld als een soort uittreksel van het boek (239 pag.), waarvan ook een exemplaar in het bezit is van onze eigen Bavo bibliotheek. 

 Inleiding: Hoewel al een eeuwenoude traditie is nog steeds niet algemeen bekend dat in vele kustplaatsen scheepsmodellen aanwezig zijn. Het oudst bekende houten scheepje werd in 1550 aan de Grote of Sint Bavokerk in Haarlem geschonken. Oorspronkelijk waren het vooral zeilende oorlogsschepen en koopvaardijschepen, later meer kleine vissersschepen.

Kunstenaars hebben ze vaak afgebeeld; vooral de scheepjes in de Bavo zijn veel afgebeeld door Pieter Saenredam  (1579-1665) en J.J. Schendel (1829-1900). Opvallend is wel dat tussen de verschillende kustenaars grote verschillen te zien zijn in de uitbeelding van de door hen afgebeelde scheepjes. Er zijn zelfs sterke aanwijzingen dat één afgebeeld scheepje nooit in de desbetreffende kerk heeft gehangen. Afbeeldingen op de spiegel van de 17de eeuwse scheepjes bleken vaak anders te zijn dan die van de “echte” schepen uit die tijd. Vaak kon hieruit worden afgeleid wat de aanleiding tot de schenking was geweest.

Scheepsmodellen in de woning en openbare gebouwen:  Het ophangen van scheepsmodellen in woningen is waarschijnlijk ontstaan aan het einde van de middeleeuwen; de sobere huizen boden eigenlijk te weinig ruimte om de modellen ergens op te zetten. Een bekend voorbeeld is te vinden in de boedel inventaris van Michel Adriaenz. de Ruyter (1677), waarin melding wordt gemaakt van “Het Schip”, dat in het voorhuis (bood iets meer ruimte) aanwezig was. Ook is er in de Heerlijkheid Vroon een scheepje aangetroffen, door een blindgeboren man gemaakt. Er hing het volgende “Vaersje” bij:

“Het werkstuk aan dees balke vast, dat is gemaakt al bij den tast,                                                           Wel naesterlyk het zelve ziet; Want die het maakte zag het niet”.

Ook in de huizen van scheepsbouwers in de Zaanstreek werden veel miniatuurschepen aangetroffen. In het Frans Hals museum is het model van bewapende haringbuis te vinden, dat oorspronkelijk te vinden was in het huis, waarin het Schonenvaardersgilde zijn bijeenkomsten hield. Verscheidene oude  hangscheepjes zijn tenslotte in een museum terechtgekomen. Zij werden daar meestal niet meer opgehangen, maar op een standaard geplaatst. Meestal moesten ze dan eerst grondig worden gerestaureerd, omdat vaak door het lange hangen een vervorming van de romp was opgetreden, die zeer plastisch “Katterug” werd genoemd.

Scheepsmodellen in buitenlandse kerken

In overwegend rooms-katholieke landen zijn vaak scheepsmodellen te vinden, die als votief gave zijn te beschouwen. Een votief geschenk is een voorwerp, dat op grond van een gelofte (ex voto) aan een heilige en/of aan God wordt geschonken. Meestal betreft dit  zilveren modellen. In R.K. kerken zijn geen houten modellen bekend. Niet alle scheepsmodellen zijn echter als “ex voto” te beschouwen. In de Protestantse kerk bestaat het begrip “Ex Voto” niet.

Vanuit Europa heeft de gewoonte om scheepsmodellen aan kerken te schenken zich verbreid naar de Verenigde Staten, Canada en Zuid Amerika. Ook in andere landen zijn veel scheepsmodellen te vinden. Langs de Duitse Noordzee- en Oostzeekusten  zijn bij voorbeeld een paar honderd modellen te vinden en in Noorwegen en Zweden totaal ca 750 stuks, maar Denemarken spant de kroon met ca 1300 exemplaren, waarbij vermeld wordt (in 1987) dat er jaarlijks nog 10 a 15 exemplaren bijkomen. In Zuid Europa kan men scheepsmodellen aantreffen  in de kerken van Joegoslavië, Italië, Frankrijk, Portugal en Spanje.

Scheepsmodellen in Nederlandse Kerken voor de Hervorming

Een votief geschenk kan gezien worden als een tegenprestatie voor een op bovennatuurlijke wijze verkregen uitkomst. Als genezing of uitredding uit noodsituaties niet binnen het bereik van menselijk kunnen lag trachtte men door het toezeggen van een bepaald geschenk aan bovenaardse machten redding re verkrijgen.  Degene die de toezegging (gelofte)  gedaan heeft lost met het geven van het votiefgeschenk z’n schuld af. Dit gebruik was al in de klassieke oudheid zeer algemeen. Ook in de bijbel wordt op enkele plaatsen al  gesproken over gelofte-offers. Na de invoering van het christendom in Europa werd het votiefgebruik door de R.K. kerk gechristianiseerd. De wonderen die naar aanleiding van een gelofte plaatsvonden werden dikwijls opgetekend in zogenaamde mirakelboeken.

Votief scheepjes (R.K.!) waren doorgaans van zilver of verzilverd. Naast de votief scheepjes is er ook sprake van gilde modellen. De gilden van zeevarenden en schippers toonden een bijzondere voorliefde  voor scheepsmodellen. Met scheepjes van allerlei vormen en soorten versierden zij hun woningen, hun gildehuizen en de kerken.  Vóór de Hervorming hingen in de Grote of Sint Nicolaaskerk te Edam drie zilveren scheepjes met twee zilveren kastelen ter herinnering aan de tocht naar Damiate. In 1570 vaardigde Alva een ordonantie uit op de heffing van de 100ste penning, volgens welke kerken en gilden hun bezittingen van zilveren voorwerpen moesten aanmelden.  De zilveren scheepjes van Amsterdam en Edam zijn na de Hervorming, met nog ander kerkzilver door de stadsbestuurders naar de Munt in Dordrecht gebracht om daar te worden versmolten. Minder rijke gilden hebben vaak houten modellen in de kerk opgehangen i.p.v. zilveren. Het is niet bekend of dat algemeen gewoonte is geworden, want er is maar één houten exemplaar bewaard gebleven en dat is de boeier, die in 1550 door het Schonenvaardersgilde te Haarlem is aangekocht en opgehangen in de BAVO. Wanneer dit scheepje van zilver gemaakt zou zijn, dan zou het zeer waarschijnlijk zijn versmolten. Kerkzilver moest namelijk van de overheid te gelde worden gemaakt.  

Scheepsmodellen in Nederlandse  Calvinistiche Kerken

Het lijkt wat tegenstrijdig dat de driedimensionale houten scheepsmodellen, die na de Hervorming in de protestantse kerken in Europa werden opgehangen, vrijwel algemeen als votiefgeschenken worden beschouwd en dus votiefscheepjes worden genoemd. In de protestantse kerken bleven zich aanvankelijk rooms-katholieke relicten handhaven. In veel landen werden bijvoorbeeld in de Lutherse kerken altaren en zelfs heiligenbeelden gehandhaafd. Bij de Nederlandse calvinisten, die zich de gereformeerden noemden was de breuk met het verleden veel radicaler. Soms werden voorwerpen in de overgenomen kerken gespaard, denk bijvoorbeeld aan gebeeldhouwde kansels, koorbanken, koorhekken, doopvonten en orgels, maar heiligenbeelden en altaren werden niet ontzien. Alles werd verwijderd wat als “paepsche afgoderije” werd beschouwd.

Al vóór de opstand in 1572 uitbrak waren in het geheim gereformeerde gemeenten ontstaan. Daar werden al alle maatregelen besproken (kerkrechtelijk en staatkundige) die de grondslagen moesten vormen voor een nieuwe staat. De gereformeerden waren van mening dat de overheid hun kerk, als behoedster van de zuivere godsdienst de bevoorrechte positie van officieel erkende, publieke kerk diende te geven. Ook waren zij o.m. van mening dat zij de beschikking moesten krijgen over de oudste en grootste (hoofd-) parochiekerken. De overheid kwam aan deze wensen tegemoet en dat heeft de gereformeerde kerk geen windeieren gelegd. De overheid stond bovendien garant voor eventuele tekorten.  Kerkmeesters en stadsbestuur hadden het laatste woord bij het inrichten van de kerken. Er werd daardoor veel behouden en er werd ook gezorgd voor aanvullingen van hoge kwaliteit. Het publieke karakter kwam in de eerste plaats tot uiting in het gebruik van het kerkgebouw als begraafplaats, zowel voor gereformeerden als andersgezinden, waaronder ook rooms-katholieken. Daardoor was de kerk ook gedurende de gehele week vrij toegankelijk. De begrippen “WANDELKERK” (niet met banken of stoelen bezet) en “PREEKKERK” ontstonden.

Overigens is de gereformeerde kerk haar positie van “HEERSCHENDE KERK” kwijtgeraakt door de nieuwe staatsregeling van 1798, ten tijde van de Franse overheersing. Sindsdien verleende de overheid gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen. De gereformeerde kerk mocht al haar bezittingen houden, dus ook de scheepjes. Na de bevrijding kreeg de gereformeerde kerk haar bevoorrechtte positie niet terug en na 1816 werd de officiële naam Nederland Hervormde Kerk; een rechtstreekse voortzetting dus van de Gereformeerde kerk ten tijde van de republiek.

 (verdere geschiedenis van afscheiding, doleantie etc. sla ik over i.v.m. het ontstaan van de PKN kerk, waarin alles weer samenkomt, DWD).

De rooms-katholieke votiefpraktijk had altijd nauw samengehangen met de heiligenverering en toen de gereformeerden de heiligenverering hadden afgewezen verdween daarmee, als het ware automatisch en ongemerkt ook het geven van votiefgeschenken. Dat wil niet zeggen dat er geen scheepjes meer werden geschonken aan de kerk, maar uit nader onderzoek valt vast te stellen dat de houten scheepjes in ons land door de eeuwen heen de functie van kerksieraad hebben gehad. Een kerksieraad wordt niet gegeven ter ere Gods, maar- Ter eeren van Gods Huys– zoals vermeld op het scheepje uit 1649 in de Grote kerk in Maassluis.

Het lijkt misschien vreemd dat ook gilden geschenken gaven aan de gereformeerde kerken, maar de banden van de ambachtsgilden en deze  kerken werden niet geheel verbroken. De afzonderlijke altaren en kapellen waren wel verdwenen, maar de gilden behielden wel het recht om hun overleden leden in een eigen gildegraf bij te zetten. Bekende geschenken zijn b.v. de houten gildeborden die gegeven werden om de lege plekken, die in de kerk  ontstaan waren door het weghalen van de heiligenbeelden, op te vullen. Ook gebrandschilderde ramen werden vaak door de gilden geschonken. Ook “curiositeiten” werden wel “tot een eeuwige gedachtenisse” in de kerk opgehangen. De scheepsmodellen passen geheel in dit kader.

De eerste scheepjes die na de Hervorming aan een gereformeerde kerk werden geschonken, zijn vermoedelijk de beide zogenaamde Damiate scheepjes in de Grote of St Bavokerk in Haarlem geweest. Volgens de overlevering werden zij geschonken door het Grootschippersgilde; dat kan echter niet meer bewezen worden. Uit het archief van dit Gilde blijkt wel dat de scheepjes in 1730 voor rekening van dit gilde werden gerepareerd. Het boeiertje dat het Schonenvaardersgilde in 1550 had geschonken heeft men al in 1593 laten opknappen. Vaak werd het schenken van een scheepje in een historisch perspectief geplaatst. In de periode waarin de laatste beide scheepjes werden opgehangen (tussen 1595 en 1634)  was het verhaal van de tocht naar Damiate zeer populair. In 1219 zou een Haarlems schip de ketting hebben stukgevaren waarmee de haven van Damiate was afgesloten.  Hiertoe was een zaag gemonteerd aan de onderzijde van het schip. Nog steeds worden de rechtse scheepjes de Damiaatjes genoemd. Op veel schilderijen van Haarlemse schilders en op vele gebrandschilderde glazen, die door Haarlem aan andere kerken werden geschonken is telkens weer  de inname van Damiate te zien. Ook nu komen we de naam nog vaak tegen (Drumband Damiate, de torenklokjes, de wapenvermeerdering in het stadhuis etc). In de hervormde kerk op Marken hangt een z.g. haringbuis, dat waarschijnlijk ook uit dezelfde tijd dateert als de “Damiaatjes”

Behalve twee modellen in de Grote Kerk in Maassluis uit 1649 zijn alle andere scheepjes van latere tijd dan die van de oudste scheepjes uit Noord Holland. Het is vrijwel zeker dat de traditie om scheepjes aan kerken te geven in ons land in Noord Holland is ontstaan.

Algemeen:

In de 19e eeuw is de belangstelling voor scheepjes sterk teruggelopen. De banden tussen kerk en staat werden goeddeels verbroken. De kerkmeesters (of kerkvoogden) werden na verloop van tijd niet meer door de overheid, maar door de kerk zelf aangewezen. De kosten voor het onderhoud van de kerk kwamen nu geheel voor rekening van de kerkvoogdij en moesten gedragen worden door de lidmaten van de kerk. Inkomsten uit begrafenissen vielen weg. Vrijheid, gelijkheid en broederschap was de leuze, dus werden veel symbolen van ongelijkheid verwijderd uit de kerken. Voor kerksieraden was geen plaats meer. Muren wit en de kerk leeg werd het uitgangspunt. Men zegt dat er in die tijd meer kunstschatten verdwenen zijn dan tijdens de beeldenstorm. Ook economisch werd het steeds slechter. Ook het aantal schenkingen van scheepjes liep sterk terug. Toch stierf de traditie niet uit. Pas na de tweede wereldoorlog kwam er weer een spectaculaire opbloei. In geen van de voorgaande eeuwen zijn zoveel scheepjes geschonken als in de 20e eeuw.

-Datering en naam van de bouwer werden vaak aangebracht op de spiegel of anders op papier dat de bouwer in de romp van het model legde (zg scheepspapieren) Bij restauraties zijn nog wel eens verkeerde dateringen aangebracht.

-Oudste modellen zijn blokmodellen, gemaakt uit een blok hout, latere ook modellen op spanten (vanaf ca 1850”)

-Veel scheepjes ernstig beschadigd of verminkt t.g.v. schoonmaakbeurten of “restauraties”

Overzicht van scheepsmodellen in Nederlandse Kerken:

 Hiertoe verwijs ik naar de pagina’s 67 t/m 212 van het boek waarin alle aanwezige modellen apart worden besproken, inclusief foto. Op de pagina’s  139 t/m 151 worden de scheepjes uit de Bavo besproken. Naast de drie bekende wordt ook nog aandacht geschonken aan een koopvaardijschip in de kerkvoogdenkamer en een model van een open zeilbootje.

Tenslotte: Dit uittreksel is uitsluitend bedoeld om het boek wat meer toegankelijk te maken en heeft geen verdere pretenties. Hopelijk beleeft de goede lezer er enig plezier aan.

                                                                                                                      Dick Dijkstra, september 2018

Translate »