Bavodag 3 oktober: met de voorstelling Escher & Bach. Meer informatie

/RONDLEIDING LAGE ZOLDERS

Start

We hebben de sleutel nodig voor de deur van de trap naar de lage zolders, in de noordelijke kooromgang naast de Mariakapel. Sleutel in kastje in Grafkapel.

Voordat we de zolder gaan bekijken laten we eerst de kopie van het schilderij van Saenredam uit 1636 zien met daarop het grote koororgel (1463-1772).
(in 1634, na een renovatie van het orgel, dienden gegoede burgers een verzoek in bij het bestuur van de stad om het orgel dagelijks te laten bespelen, nu het gerenoveerd was. In Cornelis Helmbreker had men een vermaard organist. In 1641 werd de begeleiding van de gemeentezang ingevoerd…)

Ook wijzen we op de inwendige schoorboog bij de driezijdige koorsluiting die men ter versteviging had geplaatst nadat men verzakking had geconstateerd tijdens de bouw. De steunberen moesten de spatkrachten opvangen van de scheibogen in de koorsluiting. De spatkracht is de zijdelingse of horizontale kracht die op het steunpunt worden uitgeoefend.
 Dat verhaal kunnen we aan de oostkant op de zolder verduidelijken. De kerk heeft een klassiek triforium, zoals ook de eerder gebouwde Franse kathedralen hebben. Een triforium is een gang, uitgespaard in de muur boven de scheibogen, van een in basiliekvorm gebouwde kerk, zoals bij de Basilica in de oudheid waar men al wandelend door de- bredere- gangen zaken deed. 

Het licht gaat vanzelf aan.

( De spiltrap die we gaan beklimmen stamt niet uit de eerste bouwperiode. Oorspronkelijk zat er aan de westzijde een trap aan het noordelijk portaal (nu de Mariakapel)  van het koor. En wanneer dit portaal in de 15de eeuw een westelijke aanbouw krijgt in de vorm van de Kerstkapel moet de spiltrap verdwijnen en wordt hij verplaatst naar de oostzijde van de Mariakapel. )
Tijdens de beklimming zien we o.a. een gedeelte van het natuurstenen kozijn van een raam in de kooromgang en lopen we in feite langs de oorspronkelijke buitenmuur van de kerk. Op de voorflap van het boek ‘Bavo te boek’ staat de situatie duidelijk getekend.


Onze eerste stop is in de blaasbalgkamer van het kleine orgel (zwaluwnestorgel).
Het huidige orgel is het derde op die plek en dateert uit 1906. Het eerste is van 1412, het tweede van 1594.
We betreden een mooi afgewerkte ruimte met een tongewelf en mooie tronies onderaan de balken, deels origineel, deels uit de vroege twintigste eeuw.  Wat de functie van de ruimte is geweest is gissen, wellicht heeft het gilde van de schutters hier gezeten en was dit een wapenkamer.
Aan de binnenmuur zien we de kast met het orgelwerk. Daarnaast is een deur en een klein trapje, zo komt men bij de speeltafel van het orgel en kan men even de kerk in kijken en het orgel bewonderen. Het is een 12-toonsorgel.

We gaan verder naar boven. Daar hangt de grote sleutel rechts van de deur. Hij draait tegen de verwachting in met de klok mee. Als we de trap op lopen gaat het licht vanzelf aan.
De zolder heeft een nummering gekregen die hierna beschreven wordt.

  1. We lopen de trap op naar het plankier en hebben dan direct zicht op drie trappen beneden ons: de middelste trap is van de afgebroken traptoren, links daarvan zien we de trap naar de trompetterzolder en de derde trap is van de ‘nieuwe traptoren’.

  2. We gaan rechtsaf naar de ruimte waar destijds de blaasbalgenkamer van het grote orgel was. We zien de trap die naar het orgel leidde en ook de dichtgezette openingen in de muur waarin de verbindingstukken gezeten moeten hebben van de blaasbalgen naar het orgel. In de balken boven ons zitten inkepingen waaraan we kunnen zien dat deze ruimte ooit een afdekking heeft gehad. Deze blaasbalgenkamer moest zo stofvrij mogelijk gehouden worden. Als we doorlopen komen we in de voormalige trompetterkamer of torenwachterzolder met een stookplaats. Hier verbleven de stadswachten nadat de westtoren van de oudere kerk was afgebroken (1480). Dit was toen het hoogste punt in de stad en een goede uitkijkpost om de stad te bewaken en te behoeden voor rampen zoals brand of aanvallen van de vijand. Bij koude kon men de ruimte verwarmen en misschien ook wel een potje koken. Op deze plaats kunnen we ook goed naar de kapconstructie kijken. Op de  eikenhouten balken zijn telmerken,  aangebracht door de timmerman die dan precies wist welke onderdelen bij elkaar hoorden. Beneden op de bouwplaats (de kerkfabriek) werden de onderdelen van de dakgebinten pasklaar gemaakt, van telmarken voorzien en naar boven getakeld. (3a) Het bureau Monumentenzorg in Zeist heeft een dendrochronologisch onderzoek gedaan. Dit is een manier om de ouderdom van het hout vast te stellen d.m.v. jaarringenonderzoek van houtmonsters. De dikte van de jaarringen wordt gemeten en vergeleken met een database van standaardcurven.

  1. We gaan nu terug naar de zolder van de kooromgang. Op deze plaats zien we een cesuur in de bouw. Alle stijlen rusten hier op consoles en niet zoals in de trompetterkamer afwisselend op trekbalken en consoles. Ook begint men hier opnieuw te tellen met telmerken. We zien de kortelinggaten of steigergaten, dit zijn openingen in het muurwerk waarin een horizontale balk (korteling) gezeten heeft nodig voor het ondersteunen van steigerdelen om de muur te metselen. De afstand tussen de rijen gaten heeft een menselijke maat. De muur heeft zogenaamde spaarnissen. Deze openingen zijn louter en alleen gemaakt om bakstenen te besparen, het materiaal was duur en als de constructie niet vraagt om een massieve muur dan werden er openingen uitgespaard. Op deze plaats zien we ook de inslagen van de ijzeren kogels uit de tijd van het Haarlems beleg in 1572. Als herinnering is er één ingemetseld in de zuidelijke zijbeuk van het schip naast de kapel van de Geestmeesters.

  2. We naderen nu de koorsluiting en zien dat het hier nogal rommelig is door de diverse balken, stangen en trekijzers die zijn aangebracht. Dit gedeelte van de kerk is zeer kwetsbaar. De krachten die op de driezijdige koorsluiting staan zijn enorm. Toen met de ‘restauratie’ door Cuypers belangrijke constructiedelen zijn weggehaald teneinde een balustrade langs de dakrand te maken, zijn er op de zolder extra balken en ijzeren strips toegevoegd om de spatkrachten op te vangen.

  3. Hier staan we boven de schoorboog die we beneden ook al bekeken hebben. Dit is weer een ingreep geweest om de ‘zaak’ bij elkaar te houden, maar nu uit de bouwperiode! We zien dan ook scheuren in het muurwerk. Bij veel gotische kerken werd de spatkracht afgeleid d.m.v. van luchtbogen maar die constructie is bij deze kerk uiteindelijk niet toegepast. Het was aanvankelijk wel de bedoeling, getuige de aanzetten daarvan in de buitenmuren. Het was niet meer nodig toen besloten was een houten gewelf te maken i.p.v. een gemetseld gewelf. Dit gedeelte van de kerk staat op het veen tussen de zandplaat en de klei van het Spaarne en is daarom veel minder stabiel dan de rest van de kerk die op zand gefundeerd is.
    In de muur zien we jaartallen aangegeven in met gips aangesmeerde plekken. In 1951 kwam er busvervoer i.p.v. de tram en mocht dat voor de kerk schadelijk zijn, dan was het direct zichtbaar in de scheuren die met gips bestreken waren. In 2001 begint men aan het grote project van de Appelaar, en zo te zien heeft dat de kerk geen schade berokkend.

  4. We staan hier op de meest oostelijke kant van de kerk. Hier kunnen we ook even naar buiten gaan om op de balustrade een kijkje te nemen naar bijv. de Appelaar of  ML.
    Er is maar voor een paar mensen plaats! De dakbedekking is van lei en we spreken van een Maasdak wanneer de leien rechthoekig zijn. Hier hebben de leien een schubvorm en dan spreekt men van een Rijndak. (De consistoriekamer heeft een Maasdak). 

  5. Via een loopbruggetje en de rode deur (pas op, stoot je hoofd niet) betreden we het triforium. We hebben nu een prachtig uitzicht in de kerk. We zien dat het schip een andere architectuur heeft dan het koor. Het is dan ook 100 jaar later gebouwd.
    Het eikenhouten gewelf met zijn sierklossen, de sculpturen in de zwikken naast de openingen van het triforium, de kraagstenen of consoles, zijn bijzondere voorwerpen waarop gewezen kan worden. Vanaf deze plek is ook de scheur in het noordelijke gedeelte van de kooromgang goed zichtbaar.
    We kunnen het triforium zowel even naar rechts als naar links belopen, om goed zicht op de afbeeldingen in de zwikken te krijgen (GBB blz.198). We lopen eerst naar rechts (doodlopend) en dan naar links.
    Het beeldhouwwerk werd ter plekke gemaakt, waarschijnlijk door Vlaamse meesters. De steensoort is tufsteen (donker) of kalkzandsteen (licht).
    in de noordelijke Nederlanden waren versierde boogzwikken relatief zeldzaam, in de zuidelijke Nederlanden kwamen deze veel meer voor.
    We zien bladmotieven, demonische koppen, een stier met flaporen, vleermuizen (levend op de grens tussen licht en donker, op de grens tussen kerkruimte en buitenwereld ) en een zeug met jongen (het varken werd beschouwd als een onrein dier, zich wentelend in modder, symbool voor ketterij). Vertel over de vleermuizen die nog altijd aanwezig zijn.

  6. Op dit nummer in het zuidelijk transept zien we een steenhouwersmerk in de muur zitten. Ook graffiti, die hier overal aanwezig zijn, lijken een verschijnsel van alle tijden. We kunnen wijzen op het verschil in schalken. Sommige hebben zogenaamde vlaggen en lijken daardoor veel grover dan de schalken die dat niet hebben. Het was Cuypers die deze vlaggen langs de schalken zichtbaar heeft gemaakt.
    Wijs ook op de prachtige sluitstenen en de gebeeldhouwde kraagstenen met figuurtjes.

  7. Nu komen we, als we het deurtje voor ons opendoen, bij de oudste stenen trap van Haarlem! Gemaakt bij de bouw van het koor ca. 1380. Hij voert naar de toren en aan de treden is goed te zien hoe hij in de loop der eeuwen uitgesleten is. Er zit een lichtknopje links om alles nog beter te tonen. (We gaan hier bij een gewone rondleiding niet naar boven!)

  8. We verlaten het triforium en zijn nu op de zuidelijke helft van de lage zolders. We kunnen in de kappen kijken van de Brouwerskapel en zien dan ook dat Cuypers in de 19de eeuw de kapvoet van de dakconstructie heeft weggenomen. Bij de Brouwerskapel is deze nog wel aanwezig en rust op een dubbele muurplaat. Cuypers heeft hier een dakgoot met een hogere balustrade geconstrueerd en daarvoor moest de dakvoet ingekort worden. Deze ingreep heeft nogal voor lekkage gezorgd.

  9. Deze trap leidt naar een ruimte boven de vroegere zuidingang in het koor, nu de huidige telkamer. Het wordt de librije van de vicarissen genoemd.

  10. Het sleutelstuk versierd met koolbladeren dat we hier zien (onder een balk tegen de muur) is zeker afkomstig uit een ander gebouw. Een voorbeeld van hergebruikt materiaal.

  11. We komen nu ( denk om je hoofd!) in de ruimte boven de bisschopskamer en deze ligt weer boven de sacristie ( de sacristie was een belangrijke ruimte ten behoeve van de eredienst en is zo snel mogelijk gebouwd na de voltooiing van het koor, laat 14e, begin 15e eeuw. Hier is een bijzondere kapconstructie aanwezig die uit vier steekkappen bestaat. (Laat mensen even uit het ronde venster kijken naar de stenen versieringen van de ramen in het transept, ook het werk van Cuypers)
    We zien ook het ‘gemak’ van de bisschop en de bisschopskamer, ook wel librije genoemd (er is al een vermelding van een librije uit 1428, maar welke ruimte daarvoor bestemd was blijft onduidelijk). Bijzondere kraagstenen in de vier hoeken met afbeeldingen van tronies (dit zijn laat negentiende-eeuwse of vroeg twintigste-eeuwse toevoegingen of vervangingen. Er is een zandstenen schouw en echte vensterbanken!
  12. Niet vergeten een trekbalk met het jaartal 1724 aan te wijzen, aan de rechterkant ( nog voor de ingang van het triforium, links) Weer een ingreep om de koorsluiting te verstevigen.

We lopen terug naar beneden via de trap die wij beklommen hebben en beëindigen de rondleiding.

Translate »