/RONDLEIDING DOOR DE BIJRUIMTES
Ga aan het begin van de rondleiding even met de neus naar de Brouwerskapel/Telkamer staan en leg uit dat de ruimtes vanaf de Telkamer (een van de vroegere ingangen) naar rechts, gebouwd en gebruikt zijn in de katholieke tijd, rond de tijd van de bouw van de transepten en het schip 1450-1480. Daarentegen zijn de ruimtes links van de telkamer nl. de Consistorie, het Herenkantoor en de Kerkvoogdenkamer pas in de protestantse tijd – rond 1659 – aangebouwd, veelal door Salomon de Bray. De kerkmeesters wilden vergaderruimten voor de kerkenraad, ouderlingen en diakenen en voor de catechisatie. De enige ruimte hier die uit de katholieke tijd stamt is de Sacristie, noodzakelijk voor de eredienst. Deze dateert dus van vlak na de bouw van het koor.
(Zie plattegrond aan de binnenzijde van de kaft van het Grote Bavoboek)
CONSISTORIE
De Consistoriekamer en het Herenkantoor werden als één geheel gebouwd vanaf 1659 door Salomon de Bray¹ Daarvoor moesten enkele winkeltjes en muren rond het kerkhof, die aan de zuidoost zijde van de kerk lagen, afgebroken worden. Dat had nog wel wat voeten in de aarde want de huisjes werden verhuurd en dat was lucratief. (zie foto van gravure van Jan van de Velde naar Saenredam blz.241 GBB). De Bray kreeg voor zijn werk 252 gulden. Hoewel hij behoorde tot de groep kunstenaars die het Hollands classicisme aanhing heeft dit gebouw met zijn spitsboogramen en steunberen nog gotische kenmerken. Waarschijnlijk heeft hij zijn consistoriekamer willen laten harmoniëren met de (gotische) kerk want alleen de ronde vensters en de cartouches met engeltjes aan de buitenzijde hebben een klassieke uitstraling.
In 2008 is de consistoriekamer voorzien van een nieuwe vloer van Belgisch hardsteen en heeft er een gedeeltelijke restauratie plaatsgevonden die volgens de restauratoren tot nieuwe inzichten over het gebouw hebben geleid. (De vloer, met vloerverwarming, ligt niet waterpas en dat is met opzet gedaan. Ook de vorige houten vloer liep schuin af en men heeft die situatie gehandhaafd. Ook de kerk heeft een schuin weglopende vloer, we weten niet goed waarom).
Het plafond is van eikenhout en bestaat uit moerbalken, die rusten op consoles in de muur, met daarboven kinderbalken en vloerdelen. Dit is een zogenaamde samengestelde balkenlaag die een vloer of zolder draagt. De houten lambrisering uit ca.1880 is afkomstig uit bierbrouwerij ‘het Hert’ aan het Donkere Spaarne, en ook het houten tochtportaal, gemaakt van hout afkomstig uit een bedstee dateert uit de periode van de restauratie van Cuypers en Van der Steur. We zien vaker dat lambrisering van elders afkomstig is en hergebruikt wordt.
De schouw is gemaakt van zandsteen en heeft een classicistische decoratie van acanthusblad en dierschedeltjes. Fraai zijn de koperen hangijzers aan de schouwbalk en de haardtegels. Het woord hangijzer moeten we letterlijk nemen, want men gebruikte deze hangijzers als steun terwijl men de voeten warmde of het vuur oprakelde. (Misschien zijn de hangijzers gemaakt door Coulombie, de klokkenmaker die begraven ligt op het koor.) Op de schouwbalk staat een tekst uit een brief aan de Colossenzen van Paulus ( Col: 3:16): “Het woort Christi woone ryckelyck in U met alle wysheyt”. In deze teksten roept Paulus op het echte geloof te bewaren tegenover de dwaalleer van de Joden. Het smeedijzeren haardscherm toont de afbeelding van Christus in gesprek met een Samaritaanse vrouw (Joh. 4:1-30). Boven de haard hangt een rouwbord uit 1910.
De grote klok is een Amsterdams horloge. Aan de wanden borden met namen van ouderlingen. De rijk gedecoreerde doorgang naar het Herenkantoor komt uit de 17de eeuw. Hier zien we de typische classicistische vormentaal: gecanneleerde (geplooid/gekarteld/gegroefd) Ionische zuiltjes met maskerdecoratie en in de zwikken afbeeldingen van verschillende vruchten. Dit zijn vanitas voorstellingen die verwijzen naar de vergankelijkheid van het leven.
(Het halfronde gat in het vloerkleed is ooit gemaakt om het kleed om een doopvont te kunnen leggen. Daar wordt vaak naar gevraagd…)
HERENKANTOOR, kantoor van de kerkmeesters en catechisatieruimte
Hier bevindt zich ook een zandstenen schouw en een haardscherm met de afbeelding van Neptunus. Daarboven hangt een schilderstuk dat voor de restauratie in zeer slechte staat verkeerde. Het is schoongemaakt en de gaten in het doek zijn geheeld. Een boeket van pioenrozen, margrieten, lelies en chrysanten staat in een metalen vaas met drie saterkoppen en op de achtergrond zien we een halfronde arcade. Op de voorgrond zit een aap en er liggen oesters en granaatappels. De aap is in de vroege middeleeuwen het symbool van de duivel maar ook wel een verwijzing naar de wellust, evenals de oesters die duiden op wellust en libido. Vanaf de middeleeuwen is de aap het symbool voor de schilder- en beeldhouwkunst. Nabootsing van de natuur was de essentie van het kunstenaarschap. Vooral in de 17de eeuw lieten de schilders zich graag inspireren door het populaire gezegde ‘Ars simia Naturae’ ( Kunst is de aap van de natuur). De granaatappel komt vaak voor in allegorische stillevens en kan vanwege het groot aantal zaadjes in een stevige schil het symbool van eenheid van velen onder één gezag zijn, zowel geestelijk als wereldlijk (ook te vinden op de rand van het klankbord boven de preekstoel bv.)
Zo’n (wellustig) schilderstuk verwacht je hier niet, het schilderij is dan ook afkomstig van elders en de restaurateur, de heer Tjebbes, heeft kunnen vaststellen dat het doek kleiner gemaakt is om het passend te laten zijn. Aan beide zijkanten bevindt zich een eikenhouten lijst waarop een guirlande van fruit, uit ca.1650. Het schilderij zou uit een woonhuis afkomstig kunnen zijn. Kunstenaar noch herkomst zijn tot nu toe bekend. Het RKD, Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis zegt dat het in de trant van Gaspar Pieter Verbruggen is geschilderd en andere deskundigen verwijzen naar Jan of Johannes Fijt.
Van het meubilair in deze ruimte valt de kussenkast direct op. Dergelijke kasten zijn typisch voor de Nederlanden en komen voor vanaf de tweede helft van de 17de eeuw. De vooruitstekende delen worden kussens genoemd, vandaar de naam.
Het plafond is vlak en bestaat uit eikenhouten planken. Het heeft over het gehele oppervlak een geschilderde decoratie van arabesken (krulmotief) met in het midden vier wapenschilden. Volgens een kerkrekening uit 1663 heeft Joan Wouwerman deze beschildering gemaakt voor 80 gulden. De wapenschilden zijn van de kerkmeesters uit 1662 en behoren toe aan Thyman Oudorp, Jacob Jansz., Mattheus Schatter en Mr. Johan Everswijn. Op het wapen van deze laatste persoon staat een everzwijn geschilderd en men noemt dat een sprekend wapen.
Aan de wanden hangen naamborden van kerkmeesters en kerkvoogden over een periode van 1400 tot heden. De naam van de schilder Maarten van Heemskerck (1498-1574) vinden we (een aantal keren) op het bord boven de kussenkast bij het jaartal 1564. ( o.a. onderste rijtje, derde van links)
Opvallend in deze ruimte zijn de gesneden eikenhouten leeuwtjes op de lambrisering (die horen er niet, ze komen uit de kerk en lijken op de leeuwtjes bij de preekstoel). Ook de kussenkast heeft leeuwenkoppen als decoratie. De leeuw staat voor kracht en macht.
De lambrisering (ca 1650) is afkomstig uit Den Haag en hier aangebracht rond 1885, tijdens de restauratie van Cuypers en Van der Steur. Lambriseringen werden met name aangebracht als middel tegen vocht en kou.
Links naast de schouw achter de deur staat een zware kluis met vier sloten, zodat er altijd vier personen aanwezig moesten zijn wanneer deze geopend werd.
In de Herenkamer kwam het dagelijks bestuur van kerkmeesters bijeen. Voor extra privacy zorgt de dubbele deur die naar de Consistoriekamer leidt.
SACRISTIE
We verlaten de ruimten van de Consistorie en het Herenkantoor en komen via een gang met prachtige tegeltjes (uit de 17e en 18e eeuw, aangebracht eind 19e eeuw) in de ruimte van de Sacristie.
De ruimte is vierkant en wordt gemarkeerd door vier steunberen, waarvan er twee zijn weggewerkt in de muren. De gewelfribben eindigen in bloemknoppen, versierd met tronies of maskers. De sluitsteen heeft een mooie gepolychromeerde (veelkleurige) beschildering van een Christuskop. Het schilderij toon een lijdende Christus, maker anoniem.
In de katholieke tijd vòòr 1578 was dit de ruimte voor priesters en misdienaren om zich om te kleden voor de liturgische diensten. De sacristie werd gebouwd laat 14e, begin 15e eeuw, zo snel mogelijk na de voltooiing van het koor. De ramen met glas in lood zijn dus buiten ramen geweest!
In dit vertrek werden kerkelijke gewaden, boeken, wierookvaten, bisschopsstaf, kelken en monstransen (houders waarin de Heilige Hostie getoond kon worden) bewaard.
Na de reformatie zijn de kasten bestemd voor toga’s van de predikanten. ²
De grote, diepe kast is van relatief recente datum. De platte kast is ouder en dat betekent in dit geval van eind 16e eeuw. De bouwvorm van een kast heeft een ontwikkeling doorgemaakt van kist, via kist op poten, naar gestapelde kisten op (bol)poten. Op de kasten staan gemberpotten.
Op de noordwest steunbeer is een mooie afbeelding aangebracht van Abraham, die door God op de proef wordt gesteld, hij moet zijn enige zoon, Isaak, offeren. Abraham gehoorzaamt en heft het mes, maar op het laatst wordt zijn arm tegengehouden en ziet hij een lam lopen dat hij kan offeren.
Na de scheiding van kerk en staat in 1817 werden de rechten en plichten van de Grote of St.- Bavokerk en de stad Haarlem vastgelegd. Hierbij bleef de stad toegang houden tot de Sacristie i.v.m. waardepapieren die hier opgeborgen waren.
(zie GBB blz.239 e.v. van Annette Lieth, ‘Van Vontkapel tot Vishal )
We gaan nu twee stenen trappen op naar de Bisschopskamer.
BISSCHOPSKAMER of Librije.
De Bisschopskamer of Librije bevindt zich boven de Sacristie. In de 18 jaren dat de kerk een bisschopszetel had zal de bisschop hier gestudeerd hebben.
Het is een koude, vochtige ruimte met voornamelijk rode plavuizen op de vloer, maar er is een zandstenen schouw aanwezig, een van de oudste van Haarlem, zodat de ruimte verwarmd kon worden. Het is een kamer met veel daglicht, door ramen in de oost-, west- en zuidgevel. In de zuid- en oostgevel zijn echte vensterbanken gebouwd, zodat men in het licht kon lezen. Reeds in 1428 is er melding gemaakt van deze ruimte als Librije.
Opvallend zijn de 4 tronies onder de kraagstenen van de ribben (laat 19e eeuwse of vroeg 20e eeuwse toevoegingen of vervangingen). Er hangt een kleine kroonluchter. Er staan meerdere kasten waarvan een met panelen die gerestaureerd is. Tevens een lage kast waarin tekeningen van Cuypers bewaard werden. Deze bevinden zich nu in het Noord Hollands Archief. Nog een trapje hoger zien we eerst het bisschoppelijk gemak en daarna komen we in een ruimte met een interessante kapconstructie, als van een molen, met 4 steekkappen. (We zijn dan eigenlijk op de lage zolders aangeland.)
KERKVOOGDENKAMER
Deze ruimte, bedoeld als werk- en vergaderruimte van het College van Kerkvoogden, is gebouwd ca. 1640. Waarschijnlijk is De Bray ook hier de bouwmeester geweest. Het college van kerkvoogden is belast met het wereldlijk (financieel ) beheer van de kerk.
Het pronkstuk in deze kamer is het schilderij van de familie Van Beresteyn, het is een kopie gemaakt door Karel Willem Rees (1880-1962), van een schilderij van Pieter Soutman (leerling van Rubens) uit 1631. (zie bijlage)
Nicolaas van Beresteyn, later leerling van De Bray, zit als kleuter op schoot bij het kindermeisje, rechts op het schilderij. Hij werd in de kerk begraven, in de noorderzijbeuk , vlak bij de entree.
Van zijn nagelaten vermogen werd een hofje gesticht voor 12 katholieke oude vrouwen. Sinds 1969 ligt dat hofje naast de Koepelkathedraal als het (samengevoegde) Hofje van Codde en van Van Beresteyn.
Ook hier treffen we een oude schouw aan, fraai betegeld en voorzien van hangijzers. De blauwwitte tegeltableaus in de schouw zijn toegeschreven aan de Friese schilder Eijbert Pieters. Het zijn Bijbelse taferelen. Het eerste tableau toont Judith en Holofernes en het tweede toont de dochter van de farao die het biezen mandje met Mozes erin vindt.
Deze tableaus en tegeltjes zijn ten tijde van de restauratie begin 20e eeuw geschonken door de stadsarchivaris van Haarlem, de heer C.J.Gonnet. (Over de tegeltableaus heeft Marten Boonstra een mooi stukje geschreven in de Bavokroniek van december 2020, 44e jrg. Nr.3.).
Aan de wand boven de entree hangen twee nieuw verworven schilderijen, in bruikleen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. We zien de profeet Elia op de berg Carmel. Het kleine jongetje dat komt aangerend wijst op een piepklein wolkje, als teken dat aan de eindeloze droogte en dorheid een einde komt. Het is geschilderd door Jacob van Looy (1855-1930), Haarlemse schilder en schrijver. Het andere schilderij, rond 1880 gemaakt door Henricus Melis uit Rotterdam, toont een vrouw die de Bijbel voorleest aan een oude man met een stoof.
De wand heeft een houten lambrisering, onlangs gerestaureerd ( door Stefan Doebner) en het plafond is ook hier voorzien van brede moerbalken en kinderbinten. De twee markante deuren zijn niet uit dezelfde tijd afkomstig, de kleinste is uit ca.1650 en heeft een mooie omlijsting. Van der Steur heeft op basis van deze deur de grotere deur gemaakt, in de deels oorspronkelijke buitengevel. Het kleine glas of venster boven de deur was oorspronkelijk een buitenvenster.
Verder staat er een mooie koloniale kist met koperen hangslot, een Amsterdams horloge uit de 17e of 18e eeuw en een kapstok uit de 19e eeuw.
Boven de schouw hangt een zgn. schuilkerkschilderij met een kerstvoorstelling. Het schilderij naast het buitenraam toont een schilderij van het interieur van de kerk van Adrie Visser (1887-1969).
De kast hieronder is de oudste in deze ruimte en laat ook de ontwikkeling zien van kist tot kast.
De kamer herbergt o.a. een scheepsmodel genaamd “de Hoop”, een geschenk van twee jongemannen, die in de 19eeeuw op kosten van de kerk mochten studeren aan de Zeevaartschool.
Het tapijt tenslotte is een Deventer tapijt.
TELKAMER
Deze ruimte was oorspronkelijk een ingang van de kerk. Hier recht tegenover ligt de Mariakapel, ook dat was een ingang. We kunnen dit in de telkamer nog mooi zien aan de geprofileerde omlijsting rond de deur naar de kerkruimte. Hier zijn resten van mossen gevonden, die erop duiden dat deze ruimte ooit rechtstreeks aan de buitenlucht was blootgesteld.
De telkamer is later in de katholieke tijd in gebruik geweest als sacristie voor de vicarissen, dit zijn priesters belast met speciale opdrachten, zoals wekelijks een mis opdragen voor het zielenheil van een overledene. Zij ontvingen daarvoor een zgn. prebende; een soort lijfrente voor geestelijke bediening. Zij konden ook de pastoor of bisschop vervangen.
De lambrisering is aangebracht in de 19de eeuw en ontworpen door Cuypers.
(De nis in de rechterwand is een zogenoemde piscina. Dit was een waterreservoir om de kelk en de pateen (hostieschaal) te wassen. Het hier gebruikte waswater werd destijds afgevoerd naar gewijde ondergrond. De piscina wordt nog hersteld.)
Het plafond van de telkamer toont een drietal originele beschilderingen rond de sluitsteen. De rode is de oudste; de twee kleine zwarte zijn jonger en de grote zwarte met bies is van jongste datum.
In de protestantse tijd is het vertrek als telkamer van de collecten in gebruik genomen en later ook gebruikt als ruimte om catechisatielessen te geven.
BROUWERSKAPEL
De grote open ruimte naast het zuidertransept is ca.1470 gebouwd als kapel voor het gilde van de bierbrouwers. Dit was een rijk gilde, want Haarlem brouwde goed bier met zuiver water, gefilterd door het duinzand. De schutspatroon van de brouwers was Sint Maarten en op 11 november werd zijn naamdag gevierd. Hij staat afgebeeld op de oostelijke sluitsteen, op de westelijke sluitsteen staat een afbeelding van Sint Bavo.
Aan de grote zuil hangt een mooi Memoriebord uit het jaar 1602. Het is een gedenkbord voor Nicolaes van der Leur, een officier opgeklommen in het leger van Prins Maurits.
In de vitrine aan de zuidwand zien we delen van de preekstoel uit de 15e eeuw met prachtig gesneden fguren, gemaakt door Jacob die beeldesnyder. De figuren tonen diepe smart, met half gesloten ogen en de handen naast het hoofd of op de borst. (De preekstoel was uit 1434, de tijd van de Moderne Devotie, boetepredikers reisden het land door en hielden preken, sermoenen, in de landstaal. Johannes Brugman heeft deze preekstoel beklommen op Goede Vrijdag 1461.)
(GBB blz.432, in het hoofdtuk van collega Aad Peters over de preekstoelen (blz.431-437).
ZUIDERTRANSEPT, zijarm
Deze ruimte was vroeger de kapel van de boogschutters (St. Joriskapel) en had geen ingang van buitenaf, tegenwoordig is het de hoofdingang voor de kerkgemeente.
Het altaar bevond zich tegen de groene muurschildering. Deze schildering was zeer waarschijnlijk veel uitgebreider en liep de gehele ruimte rond. De contouren van de retabel (versierde opbouw achter een altaar), zijn nog zichtbaar in de schildering.
In de nis in de oostmuur heeft waarschijnlijk een Piëta (Maria met een dode Christus op haar schoot) gestaan. Let op het stukje typische blauwe (Maria!) boogschildering in de nis.
In de zuid muur zit een hagioscoop (kijkgat) waardoor van buiten naar binnen in de kerk gekeken kon worden naar de Piëta.
Ook de schutters waren een rijk gilde en hun kapel is waarschijnlijk mooi ingericht geweest. Uit een rekening is bekend dat zij bv. een getijdenboek lieten inbinden voor op hun lezenaar, nog in 1573.
HEILIG GRAFKAPEL
De afgesloten ruimte, ten westen van het zuidertransept ontstond rond het jaar 1430 en herbergt de voormalige Heilig Grafkapel. Bouwkundig heeft deze ruimte in de loop der tijden nogal wat veranderingen doorgemaakt. In beginsel beslaat de totale ruimte zeven vierkante/rechthoekige vakken, allen met hun eigen gewelfboog. De diverse gewelfribben zijn van hoge kwaliteit en scherpte. De uiteinden tonen fraaie voorstellingen van engelen met de lijdensvoorwerpen zoals lans, gesel, doornenkroon, nagel en kruis; de zogeten arma christi. Wijs ook op de mooie sluitstenen met de beeltenissen van resp. de Heilige Geest als duif, Adam en Eva met de slang, de engel met het gouden kleed en God de Vader met de wereldbol.
In de tweede ruimte na binnenkomst is een brede en diepe nis aangebracht tegen de muur van het transept, daarin was een beeldengroep te zien rond het graf van Christus, zoals in het heilig land. Claes Clamp kreeg in 1432 de opdracht ‘een legghende God’ te maken. Na 1906 is het graf afgesloten met houten kastdeuren. Aan weerszijden daarvan bevinden zich kleinere nissen, nu ook kastjes, die oorspronkelijk doorgangen waren naar het zuidertransept. De gelovigen konden door de ene doorgang bij het graf komen en daar bidden en door de andere doorgang weer de ruimte verlaten. Zij konden dan ook door de hagioscoop een blik werpen op de Piëta. Naast de hagioscoop zit een glasraam met zicht op de kerkruimte. Met een bezoek aan de grafkapel konden gelovigen ook een aflaat verdienen om na hun dood de tijd in het vagevuur te bekorten.³
Zowel de pelgrims naar Jeruzalem als de pelgrims naar Santiago de Compostella bezochten de grafkapel. De Haarlemse pelgrims naar Compostella startten hun pelgrimage in het St. Jacobs Godshuis in de Hagestraat en haalden hier hun eerste kerkstempel. (zie Wim Cerutti: Haarlemse Jeruzalemvaarders, 2010)
Na de reformatie was in deze ruimte het Nooderkantoor gevestigd. Hier konden de kerkleden hun kerkelijke belasting afdragen.
(zie ‘Het Grafkapel-complex’ van Willem R.de Jong en GBB blz.89 e.v. ‘Bouwen aan transept en schip’ van Karel Emmens en Jan van der Hoeve. Zie ook blz.98 GBB voor de situatie in de H. Grafkapel en een afbeelding van een grafbeeldengroep)
PREDIKANTENKAMER.
Naast de ruimte van de Grafkapel is de Predikantenkamer gebouwd. Ook deze ruimte was oorspronkelijk een ingang van de kerk, te zien aan de binnenzijde van de deur. (Het glasraam was in vroeger tijden een rozetvenster). Het hier aanwezige meubilair is oud, zeker uit de 18de eeuw. De ruimte werd gebruikt bij de voorbereiding tot de doop. Het werd toen ook wel de “doopkapel” genoemd. Zie in dit verband ook de beeltenis van Johannes de Doper in de sluitsteen.
De ouders gingen met hun kind vanuit deze kamer de kerkruimte in, onder de koperen doopboog door, naar de dooptuin bij de preekstoel.
Let even op het fraaie neogotische kroonluchtertje van twee etages en elk met zes armen. Oorspronkelijk een gaskroon; sinds de vijftiger jaren elektrisch. De aanwezige portretten zijn van oud-predikanten.
De kast aan de rechterzijde (met natuurstenen omlijsting) is waarschijnlijk een doorgang geweest naar de Diakenkamer. De aanwezige kast is alleen een kapstok en geen kast.
Onder deze ruimte bevindt zich een overwelfde ruimte, een soort kelderruimte met een trapje richting kerk.
HEILIGE GEESTKAPEL of Diakenkamer
Vroeger was dit vertrek in gebruik bij de Heilige Geestmeesters als werk- en vergaderruimte.
We leggen even uit wat de Geestmeesters deden en lopen eventueel even naar de broodbank.
Sinds 1954 worden hier de opbrengsten van de kerkcollecten geteld.
Aan de vensters is te zien dat de ruimte vroeger uit twee vertrekken bestond. In de muur is ook hier een hagioscoop te zien. Dit is een opening in de kerkmuur waardoor men van buitenaf afbeeldingen van heiligen, een altaar of relieken kon zien.
Dit was bedoeld voor mensen die geen toegang tot de kerkruimten hadden.
De sluitsteen in het plafond geeft de Heilige Geest weer. Verder zijn er engelen zichtbaar met de lijdensvoorwerpen zoals nagels, lans, gesel en kruis. De bank is uit de tijd van de restauratie door Cuypers en van der Steur. De vaststaande grote stoof was bedoeld voor de voeten van de diakenen.
In een nis in de wand bevindt zich een koperen piscina uit de 19e eeuw.
VONTKAPEL nu grafkapel van de Familie De Raet
De eerste vontkapel (doopkapel) werd in 1423 gebouwd, tegen de zuidkant van het oude schip in een vijfhoekige vorm zoals in die tijd gebruikelijk (GBB blz.90). Het nieuwe koor was toen al klaar en men had blijkbaar geen verdere uitbreidingsplannen. Toen men later toch transepten en schip ging uitbreiden moest deze kapel weer afgebroken worden en met het nieuwe schip werd ook een nieuw vonthuis gebouwd. Een nieuw doopvont werd 1465 besteld bij ‘die Meyster tot Utrecht’. Het oorspronkelijke koud-gesmede hek is nog het origineel uit 1423. Deze kapel is in 1740 ingericht als grafkapel voor de familie De Raet, met beeldhouwwerk van Jan van Logteren. Op de sluitsteen zien we Christus Salvator Mundi met de wereldbol en op de kraagstenen onder de ribben de profeten Jesaja, Jeremia, Daniël en Zacharia.
LEPROZENKAPEL
Hier bevinden zich momenteel de pompen voor de sprinklerinstallatie maar in vroeger tijden konden mensen met lepra, een zeer besmettelijke ziekte, in deze afgescheiden ruimte toch een dienst bijwonen. In Zwolle is de leprozenkapel nog in gebruik als kapel van Barmhartigeid en in 2015 gebruikt voor een Ebola-actie.
¹ Salomon de Bray.
Geboren (1597)in de omgeving van Antwerpen verhuisde hij op jonge leeftijd naar Amsterdam en ging in de leer, net als Rembrandt, bij Pieter Lastman. In 1617 vestigde hij zich in Haarlem waar hij in 1625 in het huwelijk trad met Anna Westerbaen. Drie van zijn tien kinderen werden ook schilders waarvan Jan de Bray de belangrijkste was. Salomon was een veelzijdig man want behalve als schilder was hij ook werkzaam als architect, stedenbouwkundige, dichter, theoreticus en ontwerper van zilverwerk. Maar zijn faam verwierf hij vooral als historieschilder. Het uitbeelden van Bijbelse en klassieke geschiedenissen werd destijds het belangrijkste genre van de schilderkunst gevonden. Zijn eervolste opdracht kreeg hij in 1648 van Amalia van Solms, echtgenote van Frederik Hendrik, om twee doeken te schilderen voor de Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch!
Als architect was Salomon betrokken bij de verbouwing van het Haarlemse stadhuis en was hij de bouwmeester van de Zijlpoort en de Consistoriekamer bij de Grote kerk. In 1664 overleed hij te Haarlem aan de gevolgen van de pest.
Literatuur: Allan, F., Geschiedenis van Haarlem, H. Coebergh, Haarlem, 1973.
De Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch werd ontworpen en ingericht door Jacob van Campen in opdracht van Amalia van Solms, sinds 1647 weduwe van stadhouder Frederik Hendrik .
Hij nodigde 8 Hollandse en 4 Vlaamse schilders uit om enorme schilderijen te leveren ter meerdere eer en glorie van de prins. Uit onze contreien waren dat naast Jacob van Campen, Pieter de Grebber, Salomon de Bray, Cesar van Everdingen, Pieter Soutman, Gerard Honthorst, Jan Lievens, en Christiaan van Couwenberg die mochten meewerken. (niet Rembrandt van Rijn)
² Het “kerkzilver” bevindt zich in het Frans Halsmuseum. Het zilver is door de Diaconie van de Hervormde Gemeente Haarlem in bruikleen gegeven aan het museum.
Er zijn daar twaalf Avondmaalsbekers, acht broodschalen en twaalf collecteschalen te zien.
Ook zijn er nog verschillende kandelaars te zien, twee vierkante broodschalen en een ronde vaas op gelobde voet. Deze zijn geschonken in de 19e eeuw. In het begin van de 20e eeuw werden twee kannen met deksel, een vierkant blad en een vaas geschonken.
³Grafkapellen of grafnissen (zoals bij de Waalse kerk bv.) speelden een belangrijke rol in de paastijd. Op Goede Vrijdag werd een gewijde hostie (het lichaam van Christus) of een kruisbeeld plechtig in het graf neergelegd en werd er een wake gehouden. Op Paaszaterdag kwamen drie vrouwen om te bidden en die ontdekten dan dat het graf leeg was. Op Paaszondag werd de hostie of het kruisbeeld weer plechtig naar het hoogaltaar gebracht als symbool voor de verrezen Christus. Dit is het begin van de Passiespelen. Voor de kerk was Pasen een veel belangrijker feest dan Kerstmis.